<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="/metadata/stylesheets/dc/extern/metadata.xsl"?><rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" xmlns:dcmiBox="http://dublincore.org/documents/2000/07/11/dcmi-box/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:ows="http://www.opengis.net/ows">
	<rdf:Description rdf:about="http://dublincore.org/">
		<dc:identifier>490066b9-2d69-4dd4-8877-ab5ad6249faf</dc:identifier>
		<dc:title>Epifytische korstmossen, zure regen en ammoniak</dc:title>
		<dc:description>De titel van dit rapport is Epifytische korstmossen, zure regen en ammoniak. Het is het samenvattend rapport van dit onderzoek, er is ook een basisrapport.
De auteur is H.W.J. van Dijk en het rapport is in 1988 gepubliceerd door de provincie Overijssel.

SAMENVATTING - Het onderzoek aan de Overijsselse epifytische korstmossen omvatte vier doelstellingen. De vergelijking van korstmosgegevens uit 1973 en 1986, de resultaten van dit onderzoek relateren aan luchtverontreinigingsfactoren, resultaten van dit onderzoek relateren aan de bosvitaliteit in de provincie en het nagaan of korstmossenvegetatie geschikt is als biologisch meetnet voor met name ammoniak. De afgelopen 15 jaar is in Overijssel, analoog aan bevindingen in Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant, geconstateerd dat het aantal soorten epifyten per monsterpunt sterk is gestegen. Deze stijging was het grootst in het in 1973 soortenarmste gebied. Dit geldt vooral voor het gebied ten zuiden van Hengelo-Enschede. In een relatief korstmosrijk gebied als Noordwest-Overijssel is het soortenaantal globaal gezien gelijk gebleven. De in het onderzoek aangetoonde reactie van de epifytenvegetatie op veranderingen in het milieu rechtvaardigt het gebruik van de epifytenvegetatie in een biologisch meetnet. Bij het opzetten van een meetnet moet aandacht worden geschonken aan biotische factoren die de samenstelling van de korstmosvegetatie beïnvloeden, zoals de stamomvang en beschaduwing van de monsterpunten. Voorts is bijzondere aandacht nodig om monsterpunten te behouden. De bemonsteringsfrequentie zou eens per 5 tot 10 jaar moeten zijn. Het verdient aanbeveling om frequenter epifyten te bemonsteren op punten die gelegen zijn in de nabijheid van de meetpunten van de luchtkwaliteit. Aldus kan de indicatiewaarde van epifyten verder worden onderbouwd. De oorspronkelijk duidelijke correlaties tussen soortensamenstelling van de epifytenvegetatie enerzijds en zwaveldioxideluchtconcentratie anderzijds, zijn tussen 1973 en 1986 binnen de provincie Overijssel nagenoeg verdwenen. Een beperkt aantal soorten dat 15 jaar geleden nog heel algemeen was, blijkt nu in verspreiding vrijwel beperkt tot het westen, het uiterste noorden en de zuidoosthoek van de provincie, met andere woorden tot relatief mestarme gebieden. Daarentegen is een groter aantal soorten sterk toegenomen in juist de mestrijke delen van Overijssel. De soorten die achteruitgingen staan bekend als zuurresistent of zuurminnend, de grote groep soorten die juist toenam, betreft epifyten die daarentegen vanouds als mestminnend bekend staan. Dit beeld werd bevestigd door statistische bewerkingen van het materiaal. De geconstateerde spreiding van mestminnende en mestmijdende korstmossoorten geeft belang rijke informatie over regionale verschillen in de ammoniakdepositie. Er is een duidelijke samenhang geconstateerd tussen ammoniakemissie en de korstmos samenstelling. Nog duidelijker dan deze grootschalige samenhang is de relatie die aangetoond is tussen het voorkomen van mestminnende soorten en de korte afstand bronnen van ammoniak. Korte afstand bronnen zijn stallen van intensieve veehouderij en maisakkers. Het verdient aanbeveling om bij maatregelen ter beperking van de ammoniakemissie prioriteit te geven aan stallen van intensieve veehouderij en maisakkers. De epifytenvegetaties binnen bossen zijn dusdanig slecht ontwikkeld dat ze weinig indicatie geven over de relatie tussen bosvitaliteit en ammoniak belasting. Wel vertonen een aantal afzonderlijke korstmos soorten op de monsterpunten van nabijgelegen vrijstaande eiken een duidelijke relatie met gezonde respectievelijk zieke bossen.</dc:description>
		<dcterms:references>K:\BAB-Archief\2019\190129</dcterms:references>
		<dcterms:relation>190129_046</dcterms:relation>
		
			<dc:relation>https://www.geoportaaloverijssel.nl/attachment/490066b9-2d69-4dd4-8877-ab5ad6249faf/046_1988_Epifytische_korstmossen,_zure_regen_en_ammoniak_samenvattend_rapport.pdf</dc:relation>
		
		<dc:type>Rapport</dc:type>
		
			<dc:typeresearch>Onderzoek</dc:typeresearch>
		
		<dc:creator>Provincie Overijssel: eenheid Publieke Dienstverlening</dc:creator>
		<dc:publisher>Provincie Overijssel</dc:publisher>
		<dc:contributor>Provincie Overijssel</dc:contributor>
		<dc:rights>Geen restricties</dc:rights>
		<dc:rights rdf:datatype="gebruiksrestricties">De bron mag ook voor externe partijen vindbaar zijn</dc:rights>
		<dc:format>Adobe Acrobat: PDF</dc:format> 
		<dc:source>H.W.J. van Dijk</dc:source>
		
			<dc:date>1988-12-31</dc:date>
		
		
			<dcterms:issued>2024-08-27</dcterms:issued>
		
		<dcterms:valid>
			
			
		</dcterms:valid>
		
		
			<dc:subject>theme: floraFauna</dc:subject>
		
			<dc:subject>theme: natureLandscape</dc:subject>
		
		<dc:language>Nederlands</dc:language>
		<ows:WGS84BoundingBox>
			<ows:LowerCorner>52.115 7.090</ows:LowerCorner>
			<ows:UpperCorner>52.853 5.791</ows:UpperCorner>
		</ows:WGS84BoundingBox>
	</rdf:Description>
</rdf:RDF>