<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="/metadata/stylesheets/dc/extern/metadata.xsl"?><rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" xmlns:dcmiBox="http://dublincore.org/documents/2000/07/11/dcmi-box/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:ows="http://www.opengis.net/ows">
	<rdf:Description rdf:about="http://dublincore.org/">
		<dc:identifier>9dbc4e5f-030f-4062-afd4-b51bf3b0fd05</dc:identifier>
		<dc:title>Veranderingen in het landelijk gebied</dc:title>
		<dc:description>De volledige titel van het rapport is Veranderingen in het landelijk gebied. Resultaten van het Landelijk Vegetatiemeetnet. Het gaat om een samenwerking tussen bureau Gleemeer, het Centraal Bureau voor de Statistiek en de provincie Overijssel en is gepubliceerd in 2015. SAMENVATTING - Het LMF, het landelijk meetnet om ontwikkelingen in vegetaties te volgen, bestaat in Overijssel sinds 1999. Het LMF is een samenwerking van de provincies met CBS en tot recent het Planbureau voor de Leefomgeving met als doel om voor landelijke natuurgraadmeters data te genereren gekoppeld aan milieu thema`s, vooral verzuring en vermesting. In 57 procent van de onderzochte proefvakken konden veranderingen in het veld worden opgemerkt gedurende de 16 jaar van meten. In vegetaties gebeurt van alles dat meestal met menselijke ingrepen van doen heeft. Ze zijn te groeperen als milieu, beheer, inrichting, infrastructuur en overige. Binnen milieu komt natuurlijke successie of natuurlijke dynamiek relatief veel voor. Negatief is de in veld beoordeelde zichtbare verdroging. Wat beheer betreft valt op dat stoppen met maaien nogal eens voorkomt, wat bijna altijd leidt tot verarming van de vegetatie. Plaggen of afgraven komt bij inrichting nog al eens voor en levert voor de vegetatie zelden een negatief effect op. Activiteiten die voorkomen uit het boerenbedrijf zijn bijna altijd negatief. Binnen de EHS zijn positieve en negatieve invloeden van gelijke orde. Buiten de EHS overheersen negatieve voorvallen, wat overeenkomt met de trend binnen het agrarisch gebied. De natuurwaarde in de EHS toont herstel, terwijl die buiten de EHS met 1 procent per jaar afneemt. Verdroging en vermesting gaan in vochtige systemen vaak samen op. In vochtig loofbos neemt de pH af en indicatie van stikstof toe, terwijl de uit de vegetatie berekende voorjaarsgrondwaterstand toeneemt. De hier geconstateerde verdroging is ook zichtbaar in de eveneens kwetsbare broekbossen. Opmerkelijk is dat ook vergelijkbare resultaten worden gevonden in van nature drogere bossen. Bochtige smele, ooit de indicator voor verzuring, neemt in de bossen af. Dit kan het gevolg zijn van successie; het ouder en donkerder worden van de bossen. Verdroging speelt ook in de droge en vooral vochtige heide. Ook stikstof speelt hier in sterke mate, maar in de vochtige heide lijkt een gunstiger trend ingezet. In het moeras laat het meetnet verzuring zien wat een natuurlijk proces is. Voor het N2000 gebied de Wieden en Weerribben is nader analyse gedaan voor de habitattypen trilveen en veenmosrietland en is een vergelijking gemaakt met rietland. De grootste veranderingen treden op in de rietlanden. In trilveen neemt de indicatie voor stikstof toe, wat niet geldt voor veenmosrietland. Dit past in het beeld van een ouder veenmosrietland dat overgaat naar veenheide. Het LMF is vooral bedoeld geweest voor landelijk natuurgraadmeters maar is ook voor provinciale doelen goed te gebruiken. De omgevingsvisie omschrijft doelen waar het LMF bij aansluit en dit betekent dat het nodig is het aantal proefvakken buiten de EHS op peil te houden. Het LMF kan nog sterker dan voorheen een rol spelen om de ontwikkeling in ingerichte natuur te volgen. Binnen het Subsidie Natuur- en Landschapsbeheer kan de set proefvakken beter worden gebruikt voor typologie en tijdanalyse. Wat N2000 gebieden betreft concludeert het rapport dat het LMF verdichting behoeft en een rol kan spelen bij de Programmatische Aanpak Stikstof analyse, waarbij een deel van proefvakken ook projectmatig kan worden gebruikt. De analyse van twee habitattypen binnen het laagveenmoeras van Noordwest toont dit duidelijk aan. Het LMF verzamelt ook gegevens over habitattypen buiten de N2000 gebieden, dat onderdeel kan zijn van de rapportage aan Brussel.</dc:description>
		<dcterms:references>K:\BAB-Archief\2019\190100</dcterms:references>
		<dcterms:relation>190100_031</dcterms:relation>
		
			<dc:relation>https://www.geoportaaloverijssel.nl/attachment/9dbc4e5f-030f-4062-afd4-b51bf3b0fd05/031_2015_Veranderingen_in_het_landelijk_gebied.pdf</dc:relation>
		
		<dc:type>Rapport</dc:type>
		
			<dc:typeresearch>Onderzoek</dc:typeresearch>
		
		<dc:creator>Provincie Overijssel: eenheid Publieke Dienstverlening</dc:creator>
		<dc:publisher>Provincie Overijssel</dc:publisher>
		<dc:contributor>Provincie Overijssel</dc:contributor>
		<dc:rights>Geen restricties</dc:rights>
		<dc:rights rdf:datatype="gebruiksrestricties">De bron mag ook voor externe partijen vindbaar zijn</dc:rights>
		<dc:format>ArcGIS: MXD</dc:format> 
		<dc:source>K. van der Veen, P. Bremer en T. van der Meij</dc:source>
		
			<dc:date>2015-12-31</dc:date>
		
		
			<dcterms:issued>2024-08-26</dcterms:issued>
		
		<dcterms:valid>
			
			
		</dcterms:valid>
		
		
			<dc:subject>theme: floraFauna</dc:subject>
		
			<dc:subject>theme: natureLandscape</dc:subject>
		
		<dc:language>Nederlands</dc:language>
		<ows:WGS84BoundingBox>
			<ows:LowerCorner>52.115 7.090</ows:LowerCorner>
			<ows:UpperCorner>52.853 5.791</ows:UpperCorner>
		</ows:WGS84BoundingBox>
	</rdf:Description>
</rdf:RDF>