<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="no"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="/metadata/stylesheets/dc/extern/metadata.xsl"?><rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" xmlns:dcmiBox="http://dublincore.org/documents/2000/07/11/dcmi-box/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:ows="http://www.opengis.net/ows">
	<rdf:Description rdf:about="http://dublincore.org/">
		<dc:identifier>df4bb6c8-35b1-468b-aa3b-d3d19115b37b</dc:identifier>
		<dc:title>Verandering in de ondergroei van de droge loofbossen in het Vechtgebied en op de Ootmarsumse stuwwal</dc:title>
		<dc:description>De titel van de notitie is Verandering in de ondergroei van de droge loofbossen in het Vechtgebied en op de Ootmarsumse stuwwal. Hij is geschreven door P. Bremer en gepubliceerd door de provincie Overijssel in november 2002.
SAMENVATTING - In opdracht van het voormalige bureau Milieubeschermingsgebieden is in 1995 een lijst van parameters opgesteld, waarmee het effect van het milieubeleid kan worden geëvalueerd. Het beleid t.a.v. de stikstof is gericht op verlaging van de depositie. De vraag is dan ook of deze daling in het veld te zien is en of er verschillen bestaan tussen gebieden met een verschil in stikstofdepositie. Vanwege deze vraagstelling is gekozen voor twee parameters, nl. de epifytische korstmosflora op vrijstaande eikenbomen en de ontwikkeling van de ondergroei in droog loofbos op minerale bodems met vooral Zomereik in de boomlaag. Deze nutriëntarme bodems zijn stikstof gelimiteerd, wat betekent dat de depositie van atmosferische stikstof effect heeft op de soortensamenstelling en bedekking van de ondergroei. Deze tweede parameter wordt in dit rapport uitgewerkt. In 2001 is in de Vechtstreek de plantengroei van proef vakken in 56 bossen en bosjes vergeleken met de situatie in 1996. In 2000 heeft eenzelfde onderzoek plaatsgevonden op de Ootmarsumse stuwwal waarbij de situatie van 45 proefvakken vergeleken werd met die in 1995. Het aantal bossoorten per proefvak maar ook het aantal soorten dat kenmerkend is voor goed ontwikkeld droog loofbos was in beide gebieden tussen de eerste en tweede kartering gelijk gebleven. Ook de bedekking van de braam vertoonde geen significante veranderingen. Elke plantensoort is in te delen naar de stikstofbehoefte met de zogenaamde Ellenberg-getallen. Per proefvak laat zich op grond van deze waarden een gemiddelde indicatiewaarde berekenen. De stikstofindicatiewaarde is tussen 1996 en 2001 significant gedaald in de Vechtstreek. Dit is niet het geval op de Ootmarsumse stuwwal. Geconcludeerd kan worden dat het beleid gericht op verlaging van de depositie in de Vechtstreek bevestigd wordt door metingen aan de ondergroei. Het verandering is stikstof-indicatiewaarde blijkt op de Ootmarsumse stuwwal gecorreleerd met de afstand tot maisvelden, in het Vechtgebied is de verandering gecorreleerd met de afstand tot de boerderijplaatsen. De negatieve correlaties wijzen erop dat tot een bepaalde afstand van boerderijen dan wel maisvelden nog steeds sprake is van een negatief effect van vermesting. Hieruit laat zich concluderen dat de aanpak van de vermesting bij de bron belangrijk is en blijft. De geconstateerde afstand lot boerderijplaatsen stemt overeen met de in het kader van de reconstructiewet toe te passen bufferzones van 250 meter rondom verzuring gevoelige bos- en natuurgebieden. Geconcludeerd mag worden dat de gegevens het al eerder met onderzoek aan epifytische korstmossen verkregen resultaat onderbouwen dat naast de achtergronddepositie, depositie die direct afhankelijk is van een bron van belang is. Uit de studie blijkt voorts dat de stikstof-indicatiewaarde een betere parameter is dan de verbraming, hoewel in het veld de verbraming het meest in het oog valt. Verbraming van eikenbossen heeft niet alleen te maken met de toename van stikstof, maar ook met o.a. het lichtklimaat. Het rapport doet voorts enkele aanbevelingen betreffende de wijze waarop in sterk verruigde bossen deze kan worden teruggebracht. Pas bij herhaling van het onderzoek kan een trend tussen beide gebieden worden vastgesteld en nader worden geconcludeerd welke trend is opgetreden.</dc:description>
		<dcterms:references>K:\BAB-Archief\2019\190100</dcterms:references>
		<dcterms:relation>190100_096</dcterms:relation>
		
			<dc:relation>https://www.geoportaaloverijssel.nl/attachment/df4bb6c8-35b1-468b-aa3b-d3d19115b37b/096_2002_Verandering_van_de_ondergroei_van_droge_loofbossen_in_Vechtgebied_en_op_Oootmarsumse_stuwwal.pdf</dc:relation>
		
		<dc:type>Rapport</dc:type>
		
			<dc:typeresearch>Onderzoek</dc:typeresearch>
		
		<dc:creator>Provincie Overijssel: eenheid Publieke Dienstverlening</dc:creator>
		<dc:publisher>Provincie Overijssel</dc:publisher>
		<dc:contributor>Provincie Overijssel</dc:contributor>
		<dc:rights>Geen restricties</dc:rights>
		<dc:rights rdf:datatype="gebruiksrestricties">De bron mag ook voor externe partijen vindbaar zijn</dc:rights>
		<dc:format>Adobe Acrobat: PDF</dc:format> 
		<dc:source>P. Bremer</dc:source>
		
			<dc:date>2002-11-30</dc:date>
		
		
			<dcterms:issued>2024-08-26</dcterms:issued>
		
		<dcterms:valid>
			
			
		</dcterms:valid>
		
		
			<dc:subject>theme: floraFauna</dc:subject>
		
			<dc:subject>theme: natureLandscape</dc:subject>
		
		<dc:language>Nederlands</dc:language>
		<ows:WGS84BoundingBox>
			<ows:LowerCorner>52.115 7.090</ows:LowerCorner>
			<ows:UpperCorner>52.853 5.791</ows:UpperCorner>
		</ows:WGS84BoundingBox>
	</rdf:Description>
</rdf:RDF>